We beginnen onze tocht vanaf het Lago d’Idro. Via het heerlijk Italiaanse dorpje Bagolino komen we steeds dichterbij het punt waar we de 'Sentiero Numero Uno' oppikken. Dit is het alpiene deel van de tocht, waar ‘gewone’ toeristen niet meer komen. Niet de lengte van de dagtochten, maar de vele blokkenpaden en staalkabels maken dit traject uitdagend. De rifugio ´Maria e Franco´ is de hoogst gelegen berghut in het Adamello-massief. Zeker met sneeuw of regen is het een zware klim. De hut ´scoort´ goed in het populariteitsklassement van INTERTREK. In de eetzaal staat een ouderwetse kachel waarboven je je kleren kunt drogen. Op weg naar de Rifugio Lissone ligt een schitterende graatwandeling op je te wachten. Klauteren met uitzicht op de afgrond. Vergeet niet kaas te gaan kopen bij de boerderij naast de hut.
In Prudenzini staan de bedden tot drie/vier hoog opgestapeld. Let onderweg op de vogeltjes: zeldzame rode rotslijsters, je herkent ze meteen. Met mooi weer is de klim naar de Passo dell´Avio letterlijk en figuurlijk het hoogtepunt van deze vakantie. Vanaf de pas heb je een schitterend vergezicht op de Adamellogroep. Het laatste stuk naar Garibaldi is zwaarder dan het van bovenaf lijkt. De hele avond kun je genieten van het uitzicht over de gletsjer. Dan is het tijd om de Numero Uno te verlaten. De gezellige Rifugio Aviolo is de laatste hut in de rij. Het ernaast gelegen meer is zeker een duik waard. Een mooi afscheid voordat we weer naar Milaan vertrekken.
